Opa

Toen ik bijna 7 was, kwamen mijn ouders plots de ’speelkamer’ binnen met bijzonder droeve gezichten. Mijn jongere broer en ik moesten stoppen met spelen en op de kleine tafel gaan zitten. Ik zie dat nog goed voor me, mijn voeten in de lucht, vrolijk wiebelend. Als jong kind had ik geen idee van mijn moeder’s verdriet op dat moment. Haar vader was net, volledig onverwacht, overleden.

Dood zijn, was iets dat ik niet kon vatten op die leeftijd. Ik begreep alleen maar dat ik best mijn mondhoeken wat naar beneden trok wanneer mijn moeder in de buurt was. Er was een begrafenismis, maar mijn broer en ik bleven thuis bij de babysit en keken naar een Disney-film. Pas op het kerkhof kreeg ik mijn allereerste beeld van de dood. Ik schepte zenuwachtig wat zand op mijn opa’s kist en liet hem voor heel wat jaren achter.

Tot één van mijn nichtjes me plots vroeg wat ik mij van onze opa herinner. Ik ben het enige kleinkind dat nog herinneringen aan hem heeft. Iedereen in onze familie houdt van het eindeloze repertoire verhalen van mijn oma over opa. Maar ik heb het geluk om toch enkele verhalen te hebben die helemaal van mij zijn. Ik weet nog (een beetje) hoe ik op mijn opa’s schoot zat, hoe hij mij plaagde in het donker en welke liedjes ik met hem zong.

Als jonge vrouw keer ik terug naar de herinnering van mijn opa. Eigenlijk zijn er een heleboel vragen die ik hem had willen stellen. Een antwoord van mijn moeder, oma of nonkels kan dat gewenste gesprek nooit vervangen. De artikels over, notities van en boeken gelezen door mijn opa geven mij ook maar een half beeld. Ik zou graag écht weten wat mijn opa aan zijn kleindochter had willen vertellen.

Maar misschien had ik die oude man wel vanzelfsprekend gevonden als hij er was. Misschien had ik niet eens de moeite gedaan om naar zijn verhalen te luisteren. Waarschijnlijk had ik me vaak verzet tegen zijn standpunten. Ik kan nu niet meer dan mijn eigen verhaal over mijn opa te koesteren. Soms beeld ik me in dat hij toch nog ergens is en stiekem iets laat weten. Vaak hoop ik dat ik toch een beetje op hem lijk. Af en toe zing ik ons laatste liedje luidop (“Wij zijn de mannen van de nacht…”) en zit ik weer even op zijn schoot.

You can leave a response, or trackback from your own site.

Leave a Reply