“Weet je?”, is het nieuwe stopwoord van mijn aangetrouwd neefje. De vogels vliegen bijna tot in de ruimte, weet je. Die auto kan heel snel rijden, weet je. En onverwacht: “Ik ga nog lang leven, weet je.” Zijn onschuldige ogen staren vol overtuiging omhoog. Alles leeft nog in de lucht op die leeftijd.
Weet je, nu weet hij dat we allemaal niet eeuwig leven. De eerste grenzen van wat mogelijk en onmogelijk is, staan stevig naast hem op de grond. Hij heeft al bedacht dat ik eerder doodga dan hij. Daar beneden, in een hoofdje dat amper boven de tafel uitsteekt, zit de realiteit ongeschonden en zonder oordeel aanschouwd.
Ik heb nog geen grijs haar op mijn hoofd ontdekt, dus met een beetje geluk zie ik dat neefje nog, net als ik toen, aan tafel zitten met een glas wijn. Misschien beseft hij dan ook dat het leven heel kort kan zijn. Dat er vooral van het leven genoten moet worden. Dat een onschuldige ‘weet je?’ alles opnieuw in vraag kan stellen.
Volgende keer vraag ik mijn neefje wat hij nog zo allemaal weet. Hoe komt het dat hij blijft groeien en ik niet? Waarom vliegen de vogels zo hoog en kruipen de beestjes zo laag? Ik ga het allemaal voor waar aannemen en de wereld weer zien als een onbegrensde mogelijkheid. Want, weet je, ik zou graag nog lang en gelukkig leven.



